Dat was South Georgia

12
January

REISVERSLAG - Auteur: Johan Van Praet / Foto's: Misjel Decleer

Ooit al es een vier ton zware zeeolifantenstier zien vechten om zijn harem te beschermen? Ik nu wel. South Georgia ontdekken is niet voor watjes. Er geraken een uitputtingsslag. Uiteindelijk ben ik vijf dagen onderweg vooraleer ik voet zet op Zuid-Georgiaanse grond, mijn eindbestemming. En wat voor een, het paradijs voor vogelaars, het Serengeti van het zuiden.

In 1946 beschreef de Schotse auteur Niall Rankin South Georgia als ‘een deel van Zwitserland, door een reus uitgehakt en speels zo ver mogelijk weggesmeten. Een laatste rustplaats van duizenden walvissen en robben’. Vandaag wordt de kleinste bergketen ter wereld opnieuw bevolkt door honderdduizenden pinguïns, pelsrobben en zeeolifanten. En is het een broedplaats en veilige haven voor ontelbare vogelsoorten, met de albatros en koningspinguïn als iconen.

Maar eerst nog even Punta Arenas, mijn vertrekhaven. De naam is afgeleid van het Spaanse ‘Punta Arenosa’ en betekent zoveel als ‘Zanderige Punt’, lees ik in mijn documentatie. De op twee na grootste stad van Patagonië. Punta Arenas is na Ushuaia (Argentinië) de meest zuidelijke stad van het Zuid-Amerikaanse vasteland. Een havenstad met karakter en berucht voor zijn niet aflatende gure wind, zo typisch voor Patagonië. “Waarom inschepen in Ushuaia richting de Falklands geen optie was?” Op 26 maart 1982 gaf de militaire junta in Argentinië het bevel tot de invasie van de eilanden. Een beslissing die leidde tot de zo goed als voorspelbare nederlaag. Op 20 juni al riepen de Britten het einde van de oorlog uit. Maar de brokken tussen Argentinië en het VK zijn tot op vandaag nog altijd niet gelijmd. ‘Las Malvinas son Argentinas!’ las ik in 2023 nog op een billboard in Ushuaia. Boodschap begrepen.

Eerste albatrossen

Luttele uren later scheep ik in aan boord van de MV Magellan Explorer, koers naar de Falklandeilanden, de eerste tussenstop en alweer zo’n gebied waar vogelaars, natuurliefhebbers en avonturiers op kicken. We varen de Straat van Magellaan op. Het is stralend weer en de eerste Zuidelijke reuzenstormvogel laat zich zien. Tot de opening van het Panamakanaal in 1904 was de 565 kilometer lange zee-engte de belangrijkste maritieme doorvaart tussen de Atlantische en Stille Oceaan. Vandaag wint de oude zeeweg weer aan populariteit dankzij de groeiende interesse van de VS en China voor Patagonië.

Het is al na middernacht als de twee Chileense loodsen van het schip worden geplukt, het signaal dat we de Straat van Magellaan verlaten. Nog zo’n 300 zeemijl (een mijl is 1,852 km) tot de westkust van de Falklandeilanden. De meteo voorspelt vrij rustig weer. “Naarmate we vorderen zal de wind aanzwellen, maar morgen houden we het nog kalm”, probeert EL David Berg (Expedition Leader) iedereen gerust te stellen. Ik neem geen enkel risico en slik mijn eerste 25 mg Stugeron.

Een stormachtige wind van 8 beaufort – zo’n 70 km/uur – zwiept de golven op tot twee meter hoog. Wie geen zeewaterdouche wil, neemt best op het achterdek positie om de eerste albatrossen te spotten. Het is +5°C maar de noorderwind laat die tien graden kouder aanvoelen. Met een snelheid van 13 knopen (om en bij 24 km/u) probeert de kapitein het stormweer achter ons voor te blijven. Nog 240 mijl vooraleer we morgenochtend vroeg de westkust van de Falklandeilanden bereiken.

Wat doet een mens om de dagen op volle zee zinvol in te vullen – behalve vogels en zeedieren spotten uiteraard? De helft ligt misselijk in bed leid ik af uit de onbezette plaatsen tijdens het ontbijt. De andere helft volgt de lezing van de Britse historicus Tennessee Blackmore – zijn vertelstem doet zijn naam eer aan – die als een volleerd Shackleton-imitator (later meer over die andere poolheld) vijf eeuwen geschiedenis van de Falklandeilanden samenbalt in 49 minuten. Ik probeer het in één zin: sinds de waarschijnlijke ontdekking door de Yamana-indianen over de eerste landing door kapitein John Strong in 1690 tot de Falklandoorlog in 1982 en daarna, sloegen en slaan Fransen, Spanjaarden, Argentijnen en Britten elkaar met claims rond de oren. Nog korter? Van de eerste 12 schapen die werden ingevoerd in 1843 tot de 504.620 exemplaren vandaag.

“Landen op South Georgia doe je niet zomaar”, drilt David. “Je respecteert de strenge IAATO-gedragscode.” In mensentaal: 'Houd de eilanden puur'. Daarom desinfecteren we onze laarzen en zuiveren we al onze buitenkledij vooraf met stofzuigers. Dat moet voorkomen dat uitheemse flora (zaden of sporen verstopt in de naden of op de velcro van jassen en rugzakken) het fragiele evenwicht tussen de plantensoorten verstoren. De ecologische balans in het gebied is zo kwetsbaar dat je niets achterlaat. Alleen foto's en herinneringen neem je terug mee aan boord. Benieuwd wat ik morgen kan meenemen van The Neck.

Voet aan wal

Ik schrik wakker van keihard metalen geratel net onder mijn kajuit – schat ik. Het is halftwee ‘s nachts. En besef dat het anker wordt gedropt (51° 18' Zuid - 60° 15' West). “Vier schakels in het water aan bakboord, 18 meter diep”, legt de veiligheidsofficier Erdogan (Roemenië) mij die ochtend uit. “We proberen het schip straks ietwat dichter bij de kust te brengen, maar veel zal dat niet worden, het water in de baai is ondiep.”  Een schakel is een oude meeteenheid, goed voor 27,4 meter. Het gewicht van de ketting is belangrijker dan dat van het anker om het schip op zijn plaats te houden. Het anker zelf dient vooral om vast te haken aan de bodem. De boeg van Magellan Explorer wijst naar de smalle zandstrook die twee heuvels van Saunders Eiland met elkaar verbindt. Welkom op … The Neck.

Bij windkracht 5 – een briesje op Falklands – en 7°C valt de landing best mee. Geen water in de laarzen, wel in de zodiac. Met de wind in de neus ruik ik de ezelpinguïns die hier tussen de schapen in kolonie houden. David Pole-Evans (67) en zijn zus Biffo zijn de achtste generatie ‘farmers’ (aan moederszijde) en hebben er hier zo’n 5.000 rondlopen – schapen welteverstaan. De herdershond Roo heeft zijn werk. “Jullie zijn het eerste schip dit seizoen.” In de laadruimte van hun Land Rover stalt Biffo petjes, pins, bundels wol … uit. “Elke extra dollar is hier mooi meegenomen.” Ik weersta de lokroep en volg het pad naar omhoog, richting de kolonie wenkbrauwalbatrossen bij de klif. Na zo’n vijf jaar zwerven over de oceaan zijn ze geslachtsrijp en vormen ze koppeltjes voor het leven. “Elk jaar vinden ze, dankzij een ongelofelijk oriëntatievermogen, hun met mos, veren en modder gebouwde persoonlijke nestsokkel terug”, legt bioloog en fotograaf Francesco – pancho voor de vrienden – uit. “De sokkel isoleert en voorkomt dat smeltwater de eieren wegspoelt.”

Onderweg tussen de zeekool bots ik bijna letterlijk op groepjes konings- en magelhaenpinguïns. Of ze even gebiologeerd naar ons kijken als wij naar hen, weet ik niet. Wel dat zij zich niet aan de vijf meter afstand houden die wij moeten respecteren. Net als bij de Falklandcaracara die zich niet laat opschrikken door de soms enorme cameralenzen die mijn medereizigers op hem richten.

Diezelfde namiddag maneuvreert de kapitein het schip binnen een windluwe baai bij West Point Eiland, de noordwestelijke tip van West-Falkland (51° 21' 05” Zuid - 60° 40’ 77” West). Gescheiden van het vasteland door de zee-engte Woolly Gut. David: “Of je stapt in de Land Rover Defender die je naar boven hotst en botst, of je wandelt de 2,5 kilometer tot bij de wenkbrouwalbatrossen.” Ze nesten beschut in het pollengras bij Devil’s Nose. Het pad naar de klif slingert zo dicht bij de vogels dat je nauwelijks je arm moet strekken om ze aan te raken. Uitzonderlijk! Zelfs de (zeldzame) niet-vogelaars zijn onder de indruk. David, schaapscheerder van beroep, brengt me met de Land Rover terug naar de nederzetting waar zijn vriendin Naima ons trakteert op koffie en thee met een selectie gebak uit de eigen oven. De wind wil niet vallen, maar de zon is volop van de partij. Ook uitzonderlijk!

Stanley, I presume?

‘… of all the miserable bog holes, I believe that Mr Moody has selected one of the worst for the site for his town.’ Dat telt als statement. Richard Moody was de eerste Britse gouverneur van de Falklandeilanden en legde op 18 juli 1845 de laatste steen van de hoofdstad Port Stanley. En een haven om u tegen te zeggen. Tijdens de tweede helft van de 19de eeuw was het zelfs een van de drukste havens ter wereld. Veel schepen moesten hier tijdens de Californische goldrush noodgedwongen aanmeren om de averij die ze opliepen bij het keren bij Kaap Hoorn te laten repareren. De een zijn brood …

Stanley ligt op Oost-Falkland (51° 41' 59” Zuid - 57° 51' 00” West) en heeft het elan van een doorsnee Engels dorp. Met een inwonersaantal dat volgens ramingen nooit boven de 4.000 klom, pronkt het toch met een gouvernementsgebouw en een kathedraal. Ik volg de hoofdweg, Ross Road tot het Historic Dockyard Museum waar ik door enkele eeuwen unieke eilandengeschiedenis en ‘het leven zoals het was’ dwaal, geïllustreerd met authentieke stukken huisgerei, prullaria, skeletten, scheepsmodellen en -uitrusting … De oorlog, en in het bijzonder de 74-dagen durende Falklandoorlog die in 1982 het leven kostte aan bijna duizend soldaten en drie burgers, krijgt een aparte zaal.

Bij het uitvaren van de Stanley Narrows wakkert de wind nog aan. Langzaam verdwijnt de vuurtoren van Cape Pembroke op de kop van het oostelijke schiereiland uit het zicht. We hebben twee tot drie dagen varen voor de boeg, of zo’n 740 mijl vooraleer we South Georgia bereiken.

South Georgia vormt samen met de nabijgelegen South Sandwich Eilanden, het Serengeti van het zuiden. Anno 2025 goed voor vier miljoen Antarctische pelsrobben (95% van de wereldpopulatie), 100 miljoen zeevogels waaronder drie pinguïnsoorten (ezel, koning en macaroni) en zo’n 6.000 exemplaren van de Zuid-Georgische pieper, de enige zangvogel van de Antarctische hemisfeer. En nog veel, veel, veel … meer soorten.

Dat was ooit anders. Tussen 1788 en 1825 werden naar schatting 1,2 miljoen pelsrobben gestroopt. Tegen 1912 was de soort zo goed als uitgeroeid op South Georgia. Idem dito voor de walvispopulatie die met 175.250 exemplaren werd uitgedund tussen 1904 – toen bouwde de Noorse ontdekkingsreiziger Carl Anton Larsen het eerste walvisstation bij Grytviken – en 1965 toen de laatste van vijf walvisfabrieken haar deuren sloot. 

“IJsberg aan de horizon”, roept David door de intercom. En wat voor een: de A23h afgebroken van de moederberg A23. Iedereen stormt naar buiten. De ‘h’ met een oppervlakte van 344 km2 is 19 km lang (alsnog het U.S. National Ice Center) en schittert in de zon. En terwijl de camera’s aan één stuk door ratelen, maakt de duik van drie bultrugwalvissen het al unieke plaatje meer dan compleet.

Ergens op zee, verloren in de tijd passeerden we ongemerkt de Antarctische Convergentie, een natuurlijke grens in de oceaan waar koude wateren van Antarctica botsen met warmere wateren uit het noorden. “Een ecologische barrière die het mariene leven sterk beïnvloedt”, legt bioloog Laura uit. “Het koude water zinkt onder het warmere en welt voedingsstoffen op en veroorzaakt een erwtensoep - dikke mist dus.” Een uitgelezen kans om er een wedstrijdje aan te koppelen. Iedereen kon de voorbije dagen al gokken op welk tijdstip we de convergentie zouden dwarsen. En wanneer we onze eerste ijsberg (12u38) zouden spotten.

Wat kan er in godsnaam fout lopen?

‘Mannen gezocht voor een gevaarlijke reis. Lage lonen. Bittere kou. Lange maanden van totale verveling. Permanent gevaar. Behouden terugkeer onzeker. Eer en erkenning in geval van succes.’ Zonder verbloemen plaatst Shackleton een oproep in de media (fake news beweert historicus Tennessee) op zoek naar mannen voor zijn expeditie met de Endurance. Zijn doel? De volledige doorsteek – te voet voor alle duidelijkheid – over het Antarctisch continent. En zo de eer van Engeland te redden, nu niet hij, maar de Noor Roald Amundsen als eerste de geografische Zuidpool wist te bereiken op 14 december 1911. 

Nu we toch op volle zee zitten en onze wandelactiviteiten op een laag pitje staan, heb ik ruimte om de honderden pagina’s over de meest heroïsche tocht van Shackleton in extremis samen te vatten: op 100 km van de geplande landingsplaats in de Weddellzee werd de Endurance volledig door het ijs ingesloten, verpletterd en uiteindelijk op 21 november 1915 door de zee verzwolgen. Vooraf werden drie sloepen en proviand uit het zinkende wrak gesleept. Na maanden rondzwerven op drijvend ijs, bouwden de 28 mannen begin april 1916 kamp op vaste bodem, Elephant Eiland. Shackleton stelde een team samen met de vijf grootste onruststokers (hen achterlaten in het kamp was vragen om moeilijkheden) om met een zeven meter lange walvisvaardersloep naar South Georgia te zeilen. Een tocht van zo’n 1.500 km over een van de meest ruige zeeën ter wereld. Na 16 dagen in vriezende kou bereikten ze de ruwe westkust bij King Haakon Bay. De walvisstations lagen echter aan de oostkust, achter een bergrug die nog nooit was overgestoken. Na opnieuw een levensgevaarlijke klim en afdaling van 36 uren hoorde hij samen met twee kompanen het fluitsignaal van de walvisfabriek op Stromness. Gered! Het zou nog vijf maanden duren voor de ijsgang Shackleton toeliet om met een walvisvaarder de 24 op Elephant Eiland achtergebleven mannen op te halen. Niemand kwam om het leven, wat deze redding tot een legendarisch voorbeeld van leiderschap en uithoudingsvermogen maakte.

Als vandaag niets meer fout loopt, zetten wij morgen voet op Salisbury Plain, waar liefst 60.000 paartjes koningspinguïns broeden.

5u55, ‘fish in the water’ codetaal voor ‘anker in het water’. We zijn er. De Bay of Isles baadt in een mistkraag behalve daar waar de zon zo dadelijk tussen de bergtoppen komt piepen. De zee wiegt spiegelglad. Windstil, -1°C (voelt als -7°C). Ik groet de dag. “Ginder, verscholen in de mist, zullen we straks landen op Salisbury Plain, bij een massa koningspinguïns”, wijst David in het … niets. De zon priemt door de mist en langzaam wordt land zichtbaar.

“Tel jij de pinguïns, dan doe ik de zeeolifanten”, grapt iemand. Bij 113.452 geef ik er de brui aan. Ik overdrijf niet. Bij de crèches zitten de jaarlingen met duizenden bij elkaar gepropt. Hun synchroon gepiep rolt in golven over het keienstrand. Ik sta – zitten mag niet om besmetting met vogelgriep te vermijden – en kijk. Hoe de volwassen pinguïns hun crèches beschermen tegen de skua's (reuzenroofmeeuw) die op elk onbewaakt moment een zwak jong proberen te roven. Hoe fotograaf Pancho aan de waterlijn een aanzwemmende pelsrob schiet. Hoe Zuidelijke zeeolifanten het strand komen bezetten. Hoe de gestrande ijsbergen oplossen in het mystieke decor van mist en lage wolken. 

Zo’n 15 minuten verder door wandelen door de dunne laag sneeuwijs jaagt een badmeester – zo noemt men het alfamannetje dat zijn territorium verdedigt – een jongere concurrent weg die zijn harem zeeolifanten te dicht naderde. De grommende en knorrende kolos weegt tot vier ton en kan zes meter lang worden. “De vrouwtjes zijn tot een vierde kleiner en wegen ‘hooguit’ 900 kg”, leer ik van bioloog John.

Exit rendieren

Verkleumd, maar meer dan voldaan, keer ik naar het schip terug. Terwijl ik mijn laarzen zuiver borstel en ontsmet … zet de MV Magellan Explorer koers naar Fortuna Bay (54° 08' 88" Zuid - 36° 48' 49" West). Daar koloniseren zo’n 10.000 paartjes van de op een na grootste pinguïnsoort (Aptenodytes patagonicus). De sterksten worden tot wel 25 jaar oud. Ooit graasden hier op de begroeide hellingen rendieren – ingevoerd door de Noorse walvisvaarders begin 20ste eeuw –, maar die werden op heel South Georgia uitgeroeid (2012-2014) vanwege hun toenemende overbegrazing. 

In het westen domineren de bergen van Breakwind Ridge. Ik stap vergezeld door kleine groepjes pinguïns een kleine kilometer richting de Königgletsjer naar de grote koningspinguïnkolonie. De duizenden kuikens piepen om voedsel. Het geroep van de ouders klinkt als het zoemen van een kleine drone of een overmoedige mug.

“Binnen enkele weken kun je hier letterlijk geen stap meer zetten zonder over een hoogzwangere zeeolifant te struikelen”, weet John. “En eind november maken ze plaats voor minstens evenveel pelsrobben.” Hopelijk had Shackleton daar geen last van toen hij hier in 1916 met zijn sloep uitgeput landde na de oversteek van de Scotia Zee. Ik volg Tennessee naar de overkant van onze landingsplaats, waar een zeeolifant ligt te zonnen met haar jong van hooguit enkele dagen oud. Gedragen door de stevige bries hoor ik rondomrond gegrom van de mannetjes die wedijveren voor dominantie – stel je het geluid van de gootsteen voor die wordt ontstopt. “Wat verder om de hoek crashten in 1982 twee Britse Wessex HU.5 helikopters. Ze moesten de SAS-soldaten ophalen die werden ingezet om het eiland te heroveren op de Argentijnen.” Neen, ik mag geen kijkje gaan nemen.

De avond valt en zoals alle dagen verduisteren we onze ramen. Zo vermijden we dat vogels op het licht afkomen en tegen het glas botsen.

Naakte ziel

Het regent en sneeuwt afwisselend op Stromness. Het verlaten, verroeste walvisstation (54° 09’ 63” Zuid – 36° 42’ 09” West) leunt tegen de berghelling en oogt desolater dan ooit bij de grijze hemel. We mogen de ruïnes absoluut niet in vanwege het asbest- en instortingsgevaar. Hier klopte Shackleton na zijn helse tocht op 20 mei 1916 aan bij de Noorse manager van de fabriek: “Don’t you know me? My name is Shackleton.” De rest is geschiedenis.

Tegen de noordwestenwind met zijn striemende regen en sneeuw in, volgen we de twee kilometer tot de waterval die Shackleton met zijn twee kompanen, Frank Worsley en Tom Crean, afdaalde tot in de vallei. Daar staat hij dan … Tennessee uitgedost als de held. Tijd voor een uitgebreide fotoshoot waarna hij met krasse stem voorleest uit het reisverslag – dat van Shackleton welteverstaan – en afsluit met diens gevleugelde woorden (vrij vertaald): “We hadden god in zijn pracht gezien, het lied gehoord dat de natuur zingt. We hadden de naakte ziel van de mens bereikt.”

Doorweekt en verkleumd terug aan boord klaart de hemel op. Hopelijk houden we het zo tijdens onze landing op Grytviken, South Georgia’s hoofdstad. Het valt mee. Het lijkt alsof we de bewoonde wereld opnieuw binnenvaren. Maar, voor we aan land mogen, controleren drie auditors van Grytviken met een loep al onze buitenkledij op sporen van zaden, modder, … kortom alles wat een negatieve impact kan hebben op het lokale ecosysteem. EL David slaakt een zucht van verlichting, we passeren met brio (100%) de test! 

Whiskyshotje

Hier ligt hij dan, Sir Ernest Henry Shackleton. Zoals de traditie het wil, brengen we een toost uit bij zijn graf. Een whiskyshotje in een kartonnen bekertje (huh?) als eerbetoon aan ‘the boss’, zo genoemd door zijn bemanning. Het bodempje Ierse blended – nochtans was Schotse malt Shackletons geliefde drank – sprenkel ik uit over zijn grafsteen als teken van respect voor zijn moed, doorzettingsvermogen en leiderschap. En van verbondenheid, als ‘delen we een slok’ met een gevallen kameraad.

Ik haast me naar de vergeten bibliotheek verstopt in een achterkamertje van de kerk. In het register uit de jaren 50 van de vorige eeuw ontdek je wie de boekenwurmen waren onder de walvisvaarders. Net als bij de ruïnes van de walvisfabriek buiten, voel ik ook hier de tastbare aanwezigheid van het harde leven van de mannen die hier werkten en wroeten, uitgebuit door een industrie die net zo weinig om hen gaf als om de walvissen die ze uitmoordden. Op South Georgia werden tussen 1904 en 1966 meer dan 175.000 kolossen gevild en uitgebeend om hun vetten, vlees en baleinen. En minstens nog eens een miljoen op de fabrieksschepen actief in de hele Antarctische regio. Alles werd verwerkt, tot de beenderen toe als meststof of veevoeder. Toen hun aantal zodanig was geslonken dat de jacht niet langer rendabel was, sloot Leith Harbour als laatste station op South Georgia zijn poorten. En zette daarmee een punt achter meer dan zestig jaar commerciële walvisvaart op het eiland.

Goud!

Wake-up call om 04u35 (!). Gold Harbour is berucht voor zijn zonsopgang omringd door gletsjers en de uitlopers van de bergketen … en ‘yes’, de zon is ook van de partij. Ik slenter slaapdronken naar de ‘mudroom’. De ruimte op dek 2 waar we onze laarzen en reddingsvesten opslaan, en voor en na elke uitstap broeken en schoeisel grondig poetsen en ontsmetten in de ‘bootwash’ (echt waar, je wringt en schrobt je laarzen tussen drie roterende borstels, onder, links en rechts). Het is opvallend stiller dan normaal in de zodiac. Wind, en dus pinguïnguano in de neus. De alomtegenwoordige gedroogde pinguïnpoep geurt weeïg, met een bouquet van ammoniak, zwavel en rotte vis. Surfend op een grote golf rollen we het strand op. De alfamannetjes zeeolifanten vinden ons zo interessant dat ze niet eens de moeite nemen om hun kop op te tillen. Skua’s vliegen op. Zuidpoolkippen trippelen zenuwachtig nergens heen, zo lijkt het toch.

We hebben geluk, het regent niet en Gold Harbour (54° 37’ 39” Zuid – 35° 56’ 24” West) maakt zijn reputatie waar: een breed zwart zand- en kiezelstrand tegen een adembenemend berglandschap waarin de Bertrabgletser uitmondt. Daarachter uitgestrekte stroken en hompen pollengras waartussen het smeltwater zijn weg zoekt en zeeolifanten bijna onzichtbaar ontwaken. Het is uit je doppen kijken, want voor je het weet sta je oog in oog met zo’n zwaargewicht.

We mogen tot op zo’n dertig meter de luid kwetterende koningspinguïnkolonie naderen. De jongen van vorig jaar staan er ook nog, donzig wezend in hun bruine pluizenvacht. Bedelend om voedsel dat (nog) niet komt. Dwars doorheen de kolonie marcheert een colonne ezelspinguïns richting zee. Hun ‘thuis’ bevindt zich dieper landinwaarts, ergens achter de stroken pollengras. De opkomende zon dompelt het tafereel in een gouden gloed.

Net voorbij de waterlijn ligt gemakkelijk een paar honderd ton vet en spek te brommen op het strand, sporadisch tussen al die bruine lijven een zwart jong van hooguit enkele dagen. Ze schurken en wentelen zich tegen elkaar, laten onophoudelijk scheten, snuiven en blazen snot en zout naar buiten door hun slurf … en klotsen hun vetlagen schuivend over het strand tegen een snelheid die je niet verwacht. 

Nomaden en tempeliers

In de namiddag houden we het rustiger met een ‘ship cruise’ door Drygalski Fjord, vernoemd naar professor Erich von Drygalski, leider van de Duitse Antarctische expeditie 1901-1903. Onze kapitein houdt Cooper Eiland aan stuurboord en stuurt drie uur lang door de fjord waar de wind bij de ingang tientallen ijsnomaden gevangenhoudt. Sommige tot wel 40 meter hoog, ze lopen vast en smelten een langzame dood. Ze doen mijn fantasie op hol slaan. Ik zie burchten, torens, kathedralen, een helblauw buitenzwembad, een koningstroon, een hellend vlak met bovenop eeuwenoud, aardebruin gletsjerpuin, …

Het contrast van vormen, kleuren en structuren maakt de fotografen gek. “Hoe blauwer ze zijn, hoe minder lucht in het ijs zit opgeslagen", legt geologe Laura uit. "Je hebt ze ook bruin dooraderd met laagjes aarde afgezet in de gletsjerkloof." Elf kilometer landinwaarts eindigt de fjord tegen het front van een van de uitlopers van de Novosilskigletsjer.

Het is 16u38, een volle maan verrijst bijna transparant tussen de toppen van de Salvesen Range. Kapitein Alexey Zakalashnyuk zet koers naar St. Andrews Bay, met zijn 300.000 koningspinguïns de grootste kolonie op South Georgia.

Met mijn hart

“Onmogelijk om met de zodiacs veilig te landen op het strand van St. Andrews Bay”, klinkt het door de intercom. “Katabatische of valwinden (van de bergflank richting zee) tot wel 60 knopen of 11 Beaufort staan gelijk met zeer zware storm.” EL David gooit de dagorde om en we varen verder door naar Ocean Harbour.

Je kunt er onmogelijk naast kijken, het wrak van het bevoorradingsschip de Bayard (Noors) dat hier strandde in 1911. Het lag aan de kolensteiger van het lokale walvisstation (1909-1920) toen op 6 juni een hevige storm losbrak, de Bayard losrukte en tegen de rotsen sloeg. Vandaag neemt de natuur weer de overhand en maakt van het wrak een uitgelezen broedplaats voor keizersaalscholvers die nesten tussen het pollengras. Je herkent ze aan hun opvallende blauwe oogrand. 

“Hier film ik met mijn hart.” Mieke verwoordt perfect wat we allemaal voelen. Het is zo goed als windstil en de vele laagjes kleren worden er een paar te veel. Ik rits alles open wat kan en fatsoenlijk is. En ga op zoek naar Frank Cabrial, begraven in het oudste bekende graf – hij verdronk op 14 oktober 1820 – op deze uitzonderlijk kalme plek. De Amerikaan was steward op de brig ‘Frances Alan’, en zijn graf bewijst dat hier al schepen voeren, lang voor de start van de walvisstations. Het houten grafkruis ligt nu in het museum van Grytviken. Trouwens, op South Georgia zijn amper graven te vinden. Zij die stierven kregen meestal een zeemansgraf – dat was makkelijker en ging sneller. 

Kak en lachgas

De tweede poging om voet aan land te zetten bij St. Andrews Bay lukt wel. De valwind kalmeerde tot nul(!). Niet dat het stormweer de honderdduizenden koningspinguïns – en die ene verdwaalde adéliepinguïn – die hier nesten zou deren. Maar nu hebben we wel heel uitzonderlijk helder en zonnig weer. Alle expeditiegidsen torsen hun fotomateriaal mee … “Zo helder blauw zag ik het nog nooit al die keren dat hier ik al kwam”, glundert fotograaf Pancho. En tot mijn eigen verbazing ruik je zelfs nauwelijks de pinguïnguano. Dat komt omdat de jongen hun eerste eten sinds de winter – de ouders waren maanden op voedseljacht – langer binnenhouden en het bij het begin van de lente nog niet te warm is geweest om alle kak te laten gisten. Gelukkig maar, want wetenschappers ontdekten recent dat wie zich te lang te midden van koningspinguïns waagt last krijgt van duizeligheid, verwardheid, hoofdpijn, maar ook een licht gevoel van euforie, ontspanning en … lachbuien. Huh? Als de stikstofrijke poep op de grond belandt, komen bodembacteriën in actie. Die zetten de stikstof om in distikstofmonoxide of … lachgas.

Laagjes

54° 00’ 67” Zuid – 37° 40’ 91” West. De boeg wijst naar Right Whale Bay aan de noordkust. Onze laatste landing op South Georgia, op het moraine strand, Binder Beach. Een van de eerste dingen die ik leerde op een poolreis is dat te veel warmte even erg kan zijn als te veel kou. Wie gaat zweten tijdens een wandeling, moet ventileren. Vertaald naar de praktijk: kleed je in laagjes zodat je een laagje kunt uittrekken of extra aandoen. Hoe dan ook, ik wring me weer door het ritueel van de laagjes. Dat ziet er bij mij als volgt uit (in die volgorde):

  • Ondergoed en sokken
  • Thermisch ondergoed
  • Extra paar dikke sokken
  • Lange broek en T-shirt
  • Sweater
  • ‘Buff’ of nekwarmer
  • Waterdichte broek
  • Dikke, wind- en waterdichte jas
  • Handschoenen en muts
  • Reddingsvest
  • Stevige staplaarzen

De buitenrand van de koningspinguïnkolonie ligt bezaaid met dode jongen die het einde van de winter niet haalden. Hompjes dood dons met lege ogen in een wereld boordevol leven. Niet veel verder wordt in een kleine kudde zeeolifanten alweer een kalf geboren. Een troep skua’s en reuzenstormvogels verorbert de placenta in een oogwenk. De pinguïns kijken er al lang niet meer van op. Zien ze kleuren vraag ik me af. “Beter dan wij”, weet Pancho. “Wij zien de gele vlek op hun hals en borst als geel, zij als een geel met tal van nuances. Elke tint krijgt een betekenis. Op die manier onderscheiden ze sterkere van zwakkere exemplaren, jong en oud … Grootte en intensiteit zijn bepalend voor de keuze van de partner.”

Ik slenter alleen verder over het zwarte zandstrand. Voel me als die solitaire pinguïn die ik met de verrekijker spot op een kale ijsvlakte. Wetenschappers berekenden dat de echtscheidingsgraad bij koningspinguïns 80% bedraagt. Liever dan (onzeker) te wachten op hun levensgezel van vorig jaar, zoeken ze elk jaar een nieuwe partner.    

“Last zodiac at 11h15”, brieft David. De buitenboordmotor zakt amper in het water of er duikt een zeeluipaard op met een koningspinguïn in zijn/haar muil. Het spektakel houdt aan, want net als een kat die met een muis speelt, rekt het luipaard de doodstrijd van de pinguïn. De natuur is mooi en wreed tegelijk. Ook dat was South Georgia.

Macaroni vs. dandy

“A land doomed by nature”, pende de Britse ontdekkingsreiziger James Cook in zijn logboek nadat hij in 1775 als eerste voet zette op South Georgia. Tijdens zijn 1.100 dagen tellende expeditie (1772-1775) had hij dan wel geen zuidelijk continent gevonden – negatieve exploratie heet dat met een duur woord –, zijn natuurkundige aan boord, Johann Reinhold Forster, had wel degelijk ontdekkingen gedaan. Over het ontstaan van ijsbergen bijvoorbeeld die volgens hem niet werden gevormd in de monding van rivieren. Het water moest eerder bevriezen, en niet pas bij de kust. Ook beschreef hij als eerste de magelhaenpinguïn en ontdekte een witte steltloper die hij Zuidpoolkip doopte. Bij een ultieme poging het Grote Zuidland te vinden dat de wereld in evenwicht hield, trof Cook rond de 54ste breedtegraad land aan dat op voorspraak van de naturalist de naam Zuid-Georgië kreeg, genoemd naar de man die hem als hoofdwetenschapper had aangesteld: de Britse koning George III. Dat de zoon van Johann Reinhold Forster dezelfde naam droeg, was louter toeval. Tijdens een landing ontdekte hij zijn vijfde pinguïnsoort, de koningspinguïn.

Helaas ontdekken wij onze vijfde soort niet tijdens de ship cruise rond de Willis-eilanden (54° 0’ 0” Zuid – 38° 11’ 0” West), het meest noordelijke punt van de archipel en van Bird Eiland gescheiden door de Stewart Straat. “Weinig toeristen hebben die ooit bezocht, zelfs ik niet”, klinkt David opgewonden door de intercom. “We zijn nu echt op exploratie!”  Macaronipinguïns broeden er op de steile kliffen. Met zo’n één miljoen paartjes zijn ze op South Georgia, maar we zijn (te) vroeg in het seizoen om ze te spotten. Het gros van de bende komt hier pas binnen enkele weken terug aan land. De hele winter blijven ze, net als de andere pinguïns, op zee. Hun naam danken ze aan de kleurrijke veren op hun kop, die doen denken aan de flamboyante kledingstijl van de modieuze ‘macaroni-mannen’ in het Londen van de 18de eeuw, de voorlopers van de dandy’s.

We laten South Georgia definitief achter ons. Weerom drie dagen volle zee vooraleer we de Falklandeilanden op de radar krijgen. Ik ga weer aan de Stugeron.

Gidsen en Kaarten South Georgia & Falkland Islands




Terug naar overzicht